De Russische staatstelevisie doet aan ongefilterde propaganda. Is het wel effectief om avond aan avond agressieve mannen de kijkers te laten indoctrineren? Geloven Russen, die een diep wantrouwen tegen hun overheid koesteren, de boodschap die ze krijgen toegediend? Onderzoek bewijst dat de bevolking grotendeels achter de regering staat, ook als men begrijpt dat men voorgelogen wordt. Met één maar, schrijft Hella Rottenberg. Het geldt voor het buitenlandse beleid, de binnenlandse berichtgeving is een ander verhaal. Dat is de achilleshiel van het Kremlin.

door Hella Rottenberg

In een recente opiniepeiling in Rusland over de roemruchte Skripal-zaak zei slechts 3% van de ondervraagden te denken dat de gifaanslag gepleegd was door een Russische inlichtingendienst. Een opmerkelijke uitkomst, want de peiling was uitgevoerd nadat Londen beelden van de twee Russische verdachten openbaar had gemaakt en ‘Petrov’ en ‘Bosjirov’ geïnterviewd waren door de Russische tv. De antwoorden van de twee mannen, die naar hun zeggen als toerist naar Salisbury waren gereisd om de beroemde toren van de kathedraal te bewonderen, werden in Rusland op de sociale media met satanisch plezier geridiculiseerd.

bosjirov en petrovOp Twitter verschenen talloze satirische plaatjes en commentaren na het tv-interview van 'Bosjirov' en 'Petrov' 

Toch dacht maar 3% van de Russen dat ‘Petrov’ en ‘Bosjirov’ in opdracht van de geheime dienst de Russische ex-spion Skripal hadden vergiftigd. Geven de reacties op de sociale media een totaal vertekend beeld van de publieke opinie en geloven de meeste Russen bijna blindelings wat de televisie hun voorschotelt? Of durven mensen uit angst niet te zeggen wat ze denken?

Een diepere blik in de beweegredenen van de ondervraagden werpt Denis Volkov,  socioloog van het Levada Centrum, het gerenommeerde onhankelijke instituut dat de peiling deed. Volgens 28% van de ondervraagden had de Britse geheime dienst de gifaanslag gepleegd, 56% zei ‘dat iedereen het kon hebben gedaan’ en 13% zei het niet te weten.

Volkov noemt het typerend dat de meerderheid van de respondenten een rechtstreeks antwoord ontweek. Het antwoord ‘iedereen kan het hebben gedaan’ zien de sociologen bij alle vragen naar mogelijke inmenging van Rusland in het buitenland vaak terugkomen.

Als Levada-medewerkers een groep mensen – een zogenaamde focusgroep – diepgaander interviewen over hun opvattingen dan zijn ze aanvankelijk weinig mededeelzaam of reageren zoals de staatstelevisie de kwestie voorstelt. De meeste deelnemers aan een focusgroep zeggen bijvoorbeeld dat er in Oost-Oekraïne geen Russische militairen gevochten hebben. Maar als de interviewer doorvraagt, dan blijkt een groot deel van de aanwezigen wel te erkennen dat Rusland zich ‘niet-officieel’ en ‘in werkelijkheid’ wel degelijk gemengd heeft in het Oekraïne-conflict of in de Amerikaanse verkiezingen.

Daarbij klinkt in hun commentaar meestal geen angst door om hun gedachte hardop te uiten of schaamte voor het Russische optreden, maar integendeel juist bravoure en instemming. ‘Ze hebben hem vergiftigd, en wat dan nog?’ Of ‘dat was nodig’ als het bijvoorbeeld over inmenging in Oekraïne of de Amerikaanse verkiezingen gaat.     

‘Nodig’, want Rusland moet de onder Poetin herwonnen status van grootmacht zien te handhaven en zich verdedigen tegen druk van buitenaf, zo is de argumentatie die de sociologen van burgers horen. Andere grootmachten doen immers hetzelfde, Rusland mag niet toegeven en moet om respect af te dwingen ervoor zorgen dat de vijandige buitenwereld bang is voor Rusland.

Soldaten in de informatie-oorlog

Dat de Russische media niet altijd de waarheid verkondigen over het Russische optreden in het buitenland,  hoort nu eenmaal bij de informatie-oorlog die vanuit het Westen wordt gevoerd en waartegen Rusland zich weert. Liegen of ontkennen is een legitiem middel in de strijd. Uit de ervaring met de focusgroepen concludeert Volkov dat de meeste burgers welbewust de versie van de officiële staatspropaganda herhalen, zelfs als ze daar zelf niet in geloven. Zij voelen zich namelijk geen neutrale waarnemers, maar partij in de informatie-oorlog tussen Rusland en het Westen.

Onlangs vertelde de Russische onderzoeksjournalist Andrej Soldatov in zijn Oktober Lezing voor Raam op Rusland dat het Poetin is geweest die het begrip informatie-oorlog heeft geïntroduceerd. Het kwam Poetin van pas toen hij in 1999 de Tweede Tsjetsjeense Oorlog  begon en greep wilde krijgen op de verslaggeving, die volgens hem in de Eerste Tsjetsjeense Oorlog (1994-1996) een fatale rol had gespeeld bij de nederlaag van Moskou tegen de opstandelingen. Informatie-veiligheid, waarmee het Kremlin bescherming tegen vijandige media bedoelde, en informatie-oorlog werden de uitgangspunten voor staatscontrole over de Russische massamedia, zei Soldatov.

Intussen is informatie-oorlog een exportprodukt geworden en een van de belangrijkste wapens in de conflicten tussen Rusland en het Westen. In Europa en de VS zijn overheden bezig om zich in de informatie-oorlog te bekwamen en kanalen buiten hun eigen jurisdictie, zoals Facebook en Twitter, ertoe te brengen ‘nep-nieuws’ eruit te filteren. Het gevaar van het hele begrip informatie-oorlog, zo waarschuwde Soldatov zijn Amsterdamse publiek, is dat censuur op de loer ligt en dat journalisten geen kritische of op zijn minst afstandelijke leveranciers van nieuws zijn, maar soldaten worden in een oorlog, waarin ze de ontvangers – de burgers - tot medestrijders maken.

Studenten

Een onderzoek onder een groep studenten van de Moskouse Hoge Economische School (HSE) geeft een idee over de effectiviteit van de propaganda. De vraag was hoe de studenten aan hun informatie kwamen en wat het effect was op hun opvattingen als zij actief waren op internet.

HSE staat bekend als een liberale instelling en de studenten die geïnterviewd werden maakten veel gebruik van internet, kenden vaak Engels en hadden gereisd naar het buitenland. Ze zeiden niet of zelden naar de nieuwsuitzendingen en talkshows van de staatstelevisie te kijken. Als ze thuis woonden, kregen ze vaak wel veel tv-programma's mee omdat hun ouders ernaar keken. Maar ze waren sceptisch over het waarheidsgehalte van wat de televisie presenteerde. Het meeste nieuws haalden ze van internet, van websites van kwaliteitskranten zoals Vedomosti, Kommersant en RBK en uitgesproken kritische of oppositionele platforms. Sommigen lazen ook artikelen van buitenlandse media zoals de BBC of The New York Times  en vergeleken die met de Russische versie van gebeurtenissen.

Niettemin vonden de meeste studenten dat de spanningen tussen Rusland en het Westen te wijten waren aan Amerikaanse of Westerse agressie en aan de uitbreiding van de NAVO naar het Oosten. Net als het Kremlin waren ze van mening dat Amerika weigert Rusland als gelijkwaardige grootmacht te erkennen en andere landen haar waarden probeert te dicteren. Ook met betrekking tot Oekraïne en de Krim kwamen hun ideeën over het algemeen overeen met de opvattingen die door de staatsmedia werden verspreid.

zacharova over krimMaria Zacharova, woordvoerster van het ministerie van Buitenlandse Zaken

Conclusie nummer één: de studenten geloven de boodschap, terwijl ze de boodschapper niet vertrouwen. Conclusie nummer twee: de boodschap van de vijand is nog veel minder te vertrouwen dan de boodschap van de eigen overheid, en dat is natuurlijk een universeel verschijnsel dat net zo goed voor de Westerse nieuwsconsument geldt. Het onderzoek dateert van het najaar van 2014, het jaar dat het conflict met Oekraïne tot uitbarsting kwam. Aan het wederzijdse vijandbeeld van Rusland en het Westen is sindsdien niet veel veranderd.

Staatstelevisie en internet

Anders dan de studenten maken de meeste Russen geen gebruik van alternatieve of pluriforme media. Voor driekwart van de bevolking is de Russische staatstelevisie nog steeds de belangrijkste bron voor nieuws over binnen- en buitenland, zo blijkt uit een recente peiling van het Levada Centrum.De helft van de ouderen (55 en ouder) kijkt naar de toonaangevende talkshow van presentator Vladimir Solovjov en de nieuwsshow van Dmitri Kiseljov. Beide druipen van agressie en sarcasme jegens - in volgorde van felheid - Oekraïne (fascistisch, neo-nazi’s aan de macht), Amerika (Russofoob en oorlogszuchtig) en Europa (loopt aan de leiband van de VS en ondermijnt christelijke gezinswaarden).

dmitry kiselevDmitri Kiseljov presenteert in zijn zondagse nieuwsshow het item 'corruptie in de praktijk'

Internet-uitgaven en sociale media winnen intussen wel snel aan terrein. Jongeren van 18 tot 24 jaar halen net zo vaak hun nieuws van internet als van de televisie. Dat geldt ook voor hoogopgeleide stedelingen. Daarbij vertrouwen ook internet-gebruikers de berichtgeving van de televisie nog net iets meer dan die op internet, maar dat verschil is niet groot. Papieren kranten en radio spelen nog maar een geringe rol in de informatievoorziening. Staatstelevisie en internet zijn de dominante communicatiekanalen.

Als je de cijfers en onderzoeken op een rijtje zet, kan het Kremlin nog steeds tevreden zijn met het resultaat van zijn mediapolitiek. De kernboodschap van het beleid komt over en wordt gesteund door het overgrote deel van de bevolking. Zelfs als burgers snappen dat er onwaarheden worden verteld, worden die geaccepteerd als ‘leugens om bestwil’, het bestwil van de staat. Ook kritische burgers en jongeren die alternatieve  bronnen op internet raadplegen, die Engels kennen en reizen zijn het merendeels eens met het beleid van president Poetin.

Buiten- en binnenland   

Een kanttekening relativeert dit betoog: dit gaat alleen op voor het buitenlands beleid. Daarin staat de bevolking achter de regering, gelooft zij dat Rusland zich tegen de agressie van het Westen moet verweren en is zij het grotendeels eens met het Russisch optreden, of het nu gaat om Oekraïne, de spionnenoorlog met Engeland, de Amerikaanse verkiezingen of de militaire steun aan het Assad-regime. Op deze thema’s is het vrije internet nauwelijks een bedreiging voor de staatspropaganda.

De binnenlandse politiek is een ander verhaal. Als het vijandbeeld wegvalt, geloven burgers de boodschap van het Kremlin minder grif. Negentig procent van de bevolking vindt de verhoging van de pensioenleeftijd een vuile rotstreek. Bobo’s  kunnen op de staatstelevisie zoveel kletsen en schreeuwen als ze willen, het effect ervan is vrijwel nihil. En daar is het vrije internet een concurrent van de staatsmedia. Op onderwerpen als de pensioenleeftijd, de situatie in de economie, lokale misstanden en protestacties zoeken  burgers alternatieve informatiekanalen op en vertrouwen die meer dan de overheid.

De staatsmedia kennen hun zwakte. In de talk- en nieuwsshows domineren onderwerpen over buitenlandse politiek. Burgers beklagen zich daarover. Ze raken moe van de eeuwige tegenstelling met het Westen, ze willen wel eens dat de president en de regering zich bekommeren om verbetering van hun leven in plaats van alleen maar stoer te doen in het buitenland.

Onvrede over het binnenlands beleid is de achilleshiel van president Poetin. Daarbij vormt het vrije internet een toenemende bedreiging voor de staatsmedia. Hoe zal het Kremlin reageren?  De wanhoopsvariant is afleiding zoeken in een escalatie met een tegenstander of een nieuwe escapade in het buitenland. Dat middel heeft bewezen de bevolking achter de president te doen  scharen en de staatsmedia zijn loyale boodschapper te laten zijn.

De sombere variant is harde repressie van vrij internetgebruik, vervuiling van het Russische internet met nepnieuws en verwarrende verhalen, met andere woorden: het opvoeren van de informatie-oorlog in het eigen land. En tenslotte is er de optimistische variant die we niet mogen uitsluiten: dat de regering kiest voor verbetering van het welzijn van de bevolking om de onvrede te dempen.

Bronnen: Levada.ru; Joanna Szostek, News media repertoires and strategic narrative reception: A paradox of dis/belief in authoritarian Russia