Heel ver weg in Noost-Oost Siberië woont een toendravolk waarvan er nog maar 700 mensen over zijn. Van hen beheersten er niet meer dan 63 hun eigen taal, toen de Nederlandse taalkundige Cecilia Odé met hen kennismaakte. In een jarenlang project legde Odé zoveel mogelijk vast van het bijna verdwenen Toendra Joekagier. Haar schitterende foto’s en verhalen over haar verblijf bij het oudste toendravolk zijn uitgemond in het pas verschenen boek Bij de Joekagieren.

door Hella Rottenberg

pagina 120Cecilia Odé in de hut van Joekagierse familie op de toendra. (Foto's Cecilia Odé)

Vanuit Jakoetsk in Oost Siberië is het 1600 kilometer naar het noordoosten naar het plaatsje Tsjerski aan de rivier de Kolyma. Daar stapte Cecilia Odé in 2004 voor het eerst over op een eenmotorig propellertoestel om anderhalf uur later te landen bij het dorpje Andrjoesjkino, diep in het Noordpoolgebied. Aan elk bezoek ging een lange voorbereiding vooraf. Tsjerski (300 kilometer van de Beringzee) en Andrjoesjkino liggen, hoever weg het buitenland feitelijk ook is, in grensgebied en vallen onder militair gezag. Speciale toestemming voor haar reis moest in Moermansk, en in latere jaren in Moskou worden afgegeven. In Jakoetsk, hoofdstad van de deelrepubliek Jakoetië waarin Andrjoesjkino ligt, trok de inlichtingendienst telkens haar ‘werkplan’ en verblijf na, en in Tsjerski werd ze ondervraagd en maakte men foto’s en face en en profil en vingerafdrukken van haar alsof ze een misdadiger was voor ze toestemming kreeg te vertrekken. Ze doorstond het geduldig en grappen makend. Een afwijzing kreeg ze nooit.

Ingepakt en vastgesnoerd op de slee

Haar veldwerk bij de Joekagieren deed ze in alle seizoenen, ook in barre winterse temperaturen van -40 of kouder. In de documentaire ‘Stemmen uit de toendra’ is te zien hoe ze ingepakt in vele lagen rendiervel en bont als een pop ligt vastgesnoerd op een slee achter een sneeuwscooter die door de toendra scheurt. Grinnikend vertelt Odé in haar Amsterdamse woning hoe ze zich liet leiden door haar nieuwsgierigheid en zich door niets liet afschrikken. Anja Pomogajeva, haar Joekagier begeleidster die de eerste keer meeging naar Andrjoesjkino, was op het hart gedrukt erop te letten dat de buitenlandse taalonderzoekster zich niet buiten het dorp begaf. ‘Het eerste wat we deden was op de sneeuwscooter stappen en de toendra op. Alles wat ik kan zien, wil ik zien, zei ik tegen Anja. Hoe de mensen eten, hoe ze koken, hoe ze leven. Ik wilde het dagelijks leven inventariseren, de cultuur leren kennen.’

Dat deed Odé tijdens vijf, soms maandenlange bezoeken, die ze tussen 2004 en 2013 aan Andrjoesjkino bracht. Dat ze het avontuur niet schuwt had ze al eerder in haar leven bewezen, toen ze West–Papoeatalen onderzocht in de Vogelkop van Papoea. Opgeleid als slavist,  specialiseerde ze zich in intonatie en uitspraak en richtte zich in haar werk op de problematiek van bedreigde talen.

Het idee om het Joekagier vast te leggen ontstond in 2000, toen Odé samen met haar Groningse collega Tjeerd de Graaf in Sachalin was voor een project ‘Stemmen van de toendra en de taiga’.  Van de ongeveer 20 inheemse talen in Noord-Oost Siberië was het Joekagier het meest bedreigd. Over de taal was weliswaar veel geschreven, maar heel fragmentarisch. Hoeveel mensen het Joekagier nog beheersten was niet duidelijk, sommige bronnen spraken van 300, andere hadden het over 1500. De taal heeft bovendien geen verwantschap met enige andere taal. Odé: ‘Als die taal straks door niemand meer gesproken wordt, is hij weg en kun je hem nooit meer reconstrueren.’

63 sprekers over

Toen NWO had besloten het project te financieren, kon ze aan de slag. Samen met een collega is Odé nagegaan wie nog als echte sprekers van het Joekagier kunnen gelden, mensen die de taal lezen, verstaan, lezen en schrijven. Het bleken er nog veel minder te zijn dan werd aangenomen. Slechts 63 mensen kwamen op hun lijst terecht. Zij spreken het Toendra Joekagier, een van de twee overgebleven talen. De andere taal, gesproken door Joekagieren die ten zuiden van de toendra in de taiga leven, is feitelijk uitgestorven. Odé:  ‘Er zijn nog drie sprekers van het Bos Joekagier. Sommige mensen zeggen dat het er nog maar één is.’

pagina 20Jekaterina Tymkyl demonstreert haar Joekagierse zang

Ooit waren de Joekagieren een groot nomadisch volk van jagers en vissers die een gigantisch gebied bevolkten van de rivier de Lena in het midden van Siberië tot de Anadir in het verre oosten. Kolonisatie door de Russen in de 17e eeuw, oorlogen met andere inheemse volkeren, pokkenepidemieën en honger hebben de Joekagieren in de loop der tijd gedecimeerd, zo sterk, dat er nu nog maar 700 over zijn. De meesten van hen wonen in Andrjoejskino en een kleine groep als rendierherders op de toendra.

Odé leerde de inwoners kennen van het dorp, dat een gemengde samenstelling heeft van Joekagieren, Tsjoektsji, Evenen, Jakoeten en een kleine minderheid van Russen, ze woonde bij mensen in huis en deed met alles mee. Ze at rendiervlees en rauwe bevroren vis, ze ging naar feesten en nam deel aan religieuze vuur- en dodenrituelen.  ’s Avonds noteerde ze wat ze meemaakte en stuurde haar aantekeningen als brieven naar familie en vrienden. Op een lichte toon beschrijft ze het leven in het dorp en op de toendra, beeldend en informatief, zonder steeds haar verbazing te uiten over al het ongewone. In haar verhalen, die nu gebundeld zijn in Bij de Joekagieren, klinkt door hoeveel ze van haar ‘onderzoeksobject’ is gaan houden. Waarom?, vraag ik haar. ‘Het zijn gewoonweg schatten van mensen.’ 

Fragment uit Bij de Joekagieren

‘Mijn verblijf bij de rendierherders op de toendra gaat niet door: er is te weinig benzine in het dorp. We gaan alleen naar de nederzetting Tochoj, 25 km verderop, waar vier generaties van een Toendra Joekagier familie wonen. Op een houten slee, wijdbeens als een visgraat in elkaar geschoven, klapperen we in kleding van rendiervel achter de boeran (sneeuwscooter) aan over de toendra.

Anna en kleindochter Fedoska ken ik van mijn vorige reis. Fedoska’s driejarig dochterje draagt de naam van haar stam: Alají. (...) De nederzetting ziet er schilderachtig uit in de roze schemering. Tegen het huis is een nomadentent gebouwd waar Anna vuur maakt dat we om beurten ‘voeden’met wodka en een beetje van het eten dat op tafel klaar staan: vis, eend, rendier. Het gesprek gaat het meest in het Toendra Joekagier, mijn recordertje staat aan en ik film.

Dan maak ik afzonderlijke opnames met Anna die haar hand op mijn knie legt en even zingt, wat ze zelden doet, daarna neem ik Fedoska en Vasja op. Bij het afscheid trekt Anna net als in 2004 mijn voor neus en mond gebonden sjaal omlaag en zoent me op mijn mond. Ik herstel alles zorgvuldig. Fedoska wil ook en daar gaat de sjaal weer. Ze straalt. Ik ook, denk ik. Vlak voor Andrjoesjkino stoppen we even, gele vierkantjes van verlichte ramen lijken in de zwarte nacht te hangen.

Aanvankelijk waren de Joekagieren in Andrjoesjkino gereserveerd. Ze hadden wel vaker taalonderzoekers langs gehad, die na één bezoek nooit meer iets van zich lieten horen. Wat hadden zij daaraan? Odé pakte het anders aan. Bij elk bezoek bracht ze een resultaat van haar werk mee dat gebruikt kon worden voor de revitalisatie van de taal. De ene keer een video van een vrouw in traditioneel kostuum die alles benoemt wat ze aan heeft. De volgende keer een boekje met verhalen en liederen in het Joekagier met vertalingen in het Russisch en Engels. Of een boekje met voorwerpen uit het dagelijks leven, met vertaling en een cd’tje voor de uitspraak.

Taalconsulenten

De lokale taalconsulenten, met wie Odé werkte, kregen goed betaald. Odé: ‘Van Russen die onderzoek kwamen doen, kregen ze voor een middag werk 100 roebel. Ik gaf ze 500 roebel per uur, in 2010 was dat €12,50. Dat vonden ze knettergek. Het gunstige bij-effect was dat ze zich verantwoordelijk voelden. Ze gingen elkaar dingen vragen, ze gingen met elkaar werken.’

pagina 27Toendra Joekagierse vrouwen bij taalconsulente Dora Tatajeva (tweede van rechts) thuis in Andrjoesjkino

De taal- en nationaliteitenpolitiek van de overheid onder het communisme heeft het doorgeven van het bedreigde Joekagier zwaar geschaad. Tot 1940 woonden de Joekagieren in kleine nederzettingen op de toendra. In 1941 is het dorp Andrjoesjkino uit de grond gestampt, waarheen de bewoners van de toendra gedwongen werden te verhuizen. Odé: ‘Daar mochten ze alleen Russisch spreken. Ze kenden helemaal geen Russisch, dus dat was een drama. De kinderen kregen onderwijs in het Russisch en als ze iets in hun eigen taal zeiden, kregen ze straf. Ze mochten het thuis met hun ouders ook niet spreken. Met harde hand werd het Russisch doorgedrukt. De Russen waren in het gebied sterk in de minderheid en konden de inheemse talen niet verstaan. Dat was natuurlijk bedreigend.’

Onderwijs van inheemse talen

Tot 1980 was het onderwijs in inheemse talen praktisch verboden. Alle vakken werden en worden nog steeds in het Russisch gegeven. Daarnaast wordt tegenwoordig aan kinderen Jakoetisch, een Turkse taal, geleerd. Het Jakoetisch, zo merkte Odé, is in Jakoetië zo bevorderd dat het inmiddels de eerste omgangstaal lijkt te worden. ‘Als mensen met mij praten spreken ze Russisch, maar zodra ik m’n hielen licht, hoor ik achter me dat ze meteen omschakelen naar het Jakoetisch.’

Een aantal Joekagieren in Andrjoesjkino doet al jaren z’n best om de eigen taal door te geven. Maar de kinderen, veelal uit een gemengd huwelijk, spreken thuis de taal niet. Op school  krijgen ze zes uur per week les. Sommigen zijn heel gemotiveerd, veel leerlingen echter laten na een tijdje het Joekagier vallen omdat het zo verschrikkelijk moeilijk is. Het onderwijs is ouderwets en onaantrekkelijk. Odé: ‘Ze vertalen een tekst uit het Russisch in het Joekagier en andersom. Er bestaat geen leerboek voor school. Die lui die onderwijs geven, hebben al het lesmateriaal zelf gemaakt. Daar neem ik m’n petje voor af. Maar het is allemaal gebaseerd op die oude methode en zo leer je de taal niet. Ik heb de leraren allerlei oefeningen aangeraden. Wat daarvan terecht is gekomen, weet ik niet.’

Het afgelegen en nauwelijks bereikbare Andrjoesjkino heeft sinds een paar jaar goed werkend internet. ‘Voor zo’n dorp is internet een fantastische uitvinding, want die kinderen hebben plotseling toegang tot de wereld. Ze gaan zelf zoeken en vinden ook dingen over hun eigen taal en cultuur. Ik wil mijn oogst op internet beschikbaar maken, zodat ze erbij kunnen’, zegt Odé enthousiast.

pagina 81Leerlingen op de basisschool in Andrjoesjkino krijgen les in Joekagier

In Jakoetsk, de hoofdstad van de republiek, is er belangstelling voor de kleine inheemse talen. Er is een groot academisch instituut dat de problemen van de minderheidsvolken van Noord-Oost Siberië bestudeert. ‘Maar ze snappen niets van de praktijk’, zegt Odé. ‘Ik heb lessen Joekagier bijgewoond op de universiteit. Ik schrok me dood van het niveau. Na afloop zei ik tegen de studenten: als jullie afgestudeerd zijn, hup, lesmateriaal maken en naar Andrjoesjkino! Ze keken mij aan of ik gek geworden was. Ja, zeg, we gaan niet naar Andrjoesjkino. Dat is verschrikkelijk, daar kun je niet leven.’

Grote ontberingen

De ontberingen zijn groot, erkent Odé. In het dorp is het zeven maanden strenge winter, er is weinig te doen en haast niets te koop.  Onder het communisme was de verzorging veel beter geregeld. Elke week kwam een vliegtuigje uit Tsjerski met verse groenten en fruit. Nu moet Andrjoesjkino zichzelf maar zien te redden en zorgen dat het voedsel voldoende vitamine- en vezelrijk is. In de zomer bouwen de inwoners kassen van latten en plastic. Daar worden in drie maanden de groenten, fruit en kruiden verbouwd voor het hele jaar. De oogst maken of vriezen ze in. Odé: ‘Je hoeft maar een kuiltje te graven of je zit in het permafrost.’ In de herfst verzamelen mensen paddestoelen en bessen. Het eenzijdige voedsel van de bewoners van de toendra – zij leven uitsluitend van vis en rendiervlees – vergt z’n tol. Velen sterven jong aan darmziektes.

Mensen in het dorp leven van de visvangst en de jacht of hebben een baan op school, bij de openbare voorzieningen of in de kleine polikliniek, die drie fatsoenlijke bedden telt en verder slechts houten britsen. Wie kans ziet, trekt weg naar Tsjerski of Jakoetsk. Toch krimpt de bevolking nauwelijks, want maar weinig mensen beschikken over genoeg geld en mogelijkheden. En vaak, vertelt Odé, keren ze na een tijdje terug, omdat ze het stadsleven niet volhouden en heimwee hebben naar de toendra.

Alcoholisme, mafia en klimaatverandering

In de tien jaar dat Odé in Andrjoesjkino kwam, heeft ze de omstandigheden zien verslechteren. Er heerst grote werkloosheid en alcoholisme. ‘Dat is een enorm probleem. De mafia heeft daar voet aan de grond gekregen. Moskovieten komen naar het dorp en ronselen mensen om mammoettanden op te graven. Er ligt daar heel veel. En dat is goud.’  Odé heeft met eigen ogen gezien hoe een Rus met de verboden handel wegvloog uit Andrjoesjkino. In het vliegtuigje waarmee ze zelf vertrok, werd een zak mammoettanden ingeladen. Toen ze haar fototoestel greep, kreeg ze zo’n scheldkanonnade naar haar hoofd, dat ze het apparaat snel weer opborg. De mafiosi hebben volgens haar haast. De mammoettanden liggen niet diep onder de oppervlakte en als het permafrost gaat smelten, komen ze vanzelf tevoorschijn en liggen ze voor iedereen voor het grijpen.

De klimaatverandering  baart de bevolking grote zorgen. ‘Ze zijn als de dood voor het smelten van het permafrost. Er zit methaan onder de grond. Dat komt dan vrij. Gebouwen zijn al aan het verzakken. In Tsjerski houden onderzoekers de veranderingen bij. Het schijnt schrikbarend te zijn. Andrjoesjkino zakt weg.’  Er gaan geruchten dat het dorp spoedig zal worden gesloten en de inwoners zullen moeten verhuizen naar Tsjerski. Maar de bouw van een nieuwe verwarmingsinstallatie en het feit dat nieuwe huizen gebouwd worden met stalen constructies wijzen eropdat het zo’n vaart nog niet loopt, zo vertelt Odé.

Voor een toch al bedreigd volkje als de Joekagieren, is de opwarming van het Poolgebied een rampzalige ontwikkeling. Zelf hebben ze er niet veel vertrouwen in dat ze hun cultuur en taal nog kunnen redden. Odé: ‘Een Joekagier zei tegen mij: “Wij zijn Joekagieren en de joe is de voorlaatste letter in het Russische alfabet en zo komen wij altijd overal helemaal aan het eind te staan.” Dat zei hij met tranen in z’n ogen.’

Bij de Joekagieren, Cecilia Odé. Uitgeverij Lias, 2018, 29,95. De tekst van het boek is in drie talen gepubliceerd: Nederlands, Engels en Russisch.