‘Er staat geen monument bij Babi Jar.’ Met die regel begint het gedicht Babi Jar dat Jevgeni Jevtoesjenko (1932-2017) op slag beroemd maakte. De zin lijkt een simpele constatering, maar het was een luide kreet van protest. Hoe was het mogelijk dat bij Babi Jar, het ravijn bij Kiev, waar de nazi’s een van de meest beruchte massamoorden op joden hadden gepleegd, niets daaraan herinnerde?  

door Hella Rottenberg

Babi Jar stond in de Sovjet-Unie op twee manieren symbool voor de massamoord op joden: voor de misdaad zelf en voor het verzwijgen van de holocaust na afloop van de oorlog. Met zijn gedicht doorbrak Jevtoesjenko het zwijgen en kreeg daarvoor massale bijval van liberale burgers en studenten. Hij schreef het gedicht in 1961 en kon het gepubliceerd krijgen dankzij het feit dat onder partijleider Chroesjtsjov een politieke en culturele dooi was ingetreden. Jevtoesjenko hoorde tot de opstandige jongeren van de jaren zestig, die zich hadden bevrijd van het stalinisme.   

Jevtoesjenko 1963Jevtoesjenko in 1963. Foto: Paul Hopper, Flicker.com

In zijn autobiografie schreef Jevtoesjenko over het onstaan van Babi Jar: ‘Ik had al lang een gedicht willen schrijven over antisemitisme. Maar pas nadat ik in Kiev was geweest en Babi Jar met eigen ogen had gezien, kreeg ik de vorm voor het gedicht te pakken. Ik schreef het in een paar uur tijd, nadat ik terug was in Moskou. Diezelfde avond gaf ik een lezing over Cuba aan het Polytechnisch Instituut. Daarna las ik Babi Jar voor het eerst voor. Gewoonlijk declameer ik mijn gedichten uit het hoofd, maar dit keer was ik zo nerveus dat ik de tekst van papier las. Toen ik klaar was, was het doodstil. Ik friemelde met het blaadje, bang om op te kijken. Toen ik opkeek, zag ik dat de hele zaal was opgestaan. Toen brak er applaus los en dat duurde zeker tien minuten. Mensen sprongen het podium op en vlogen me om de hals. Mijn ogen vulden zich met tranen.’  

Zwartboek

Het sensationele optreden van Jevtoesjenko voor 1200 studenten in Moskou doorbrak een taboe, twintig jaar nadat de nazi’s Kiev hadden veroverd, in september 1941. Tien dagen later dreven ze de joden die de stad niet ontvlucht waren, bijeen en schoten ze dood. De Duitsers zelf rapporteerden dat ze in het ravijn Babi Jar meer dan 33 duizend joden in een tijdsbestek van 36 uur hadden geëxecuteerd. Vrijwel de hele joodse bevolking van Kiev was in een oogwenk uitgeroeid. In de weken en maanden die volgden gebruikten de Duitsers Babi Jar voor verdere massaexecuties van joden uit de regio, maar ook voor het vermoorden van partizanen, krijgsgevangenen en Oekraiense nationalisten.

Na de bevrijding merkte de Sovjet-regering de massamoord van Babi Jar aan als ‘nazi-misdaden tegen Sovjet-burgers’. Dat de slachtoffers vooral joden waren, werd verzwegen. Babi Jar was daarin geen uitzondering. De schrijvers Ilja Erenboerg en Vasili Grossman hadden nog tijdens de oorlog gegevens en getuigenissen verzameld over de nazi-misdaden tegen de joden in de Sovjet-Unie. Hun Zwartboek was al gezet om te worden gedrukt, toen het vernietigd werd. Er mocht van de censuur niet geschreven worden dat joden het grootste slachtoffer van de nazi’s waren en dat Oekraïeners de nazi’s bij de moordpartijen hadden geholpen.

Voetbalstadion

De eerste die zich openlijk boos maakte over het verzwijgen van Babi Jar was de Kievse schrijver Viktor Nekrasov. Het stadsbestuur was van plan om het ravijn te vullen en er een voetbalstadion en park van te maken. De brief van Nekrasov, die hij eind 1959 schreef, vond zoveel weerklank, dat de autoriteiten besloten een gedenkteken neer te zetten. Dat stond er nog steeds niet, toen Nekrasov zijn collega Jevtoesjenko uit Moskou rondleidde.

Jevtoesjenko identificeerde zich in zijn gedicht met het joodse volk en haalde uit naar het antisemitisme, dat ook in Rusland nog bestond. In de eerste versie die hij voorlas, kwam  antisemitisme in Rusland tevoorschijn ‘in de geur van alcohol en in gesprekken na het  drinkgelag’.  Die regel werd bij publicatie geschrapt. Wat bleef staan was minder expliciet. Maar het was genoeg om de aanval op Jevtoesjenko in literaire bladen te openen.

Het effect daarvan werd echter teniet gedaan door het enorme succes dat de dichter oogstte. De Literatoernaja Gazeta met de tekst van Babi Jar werd uit de kiosken gegrist, Jevtoesjenko werd overstroomd met brieven, van de twintigduizend waren er naar zijn zeggen ‘maar een paar honderd’ met een antisemitische strekking. Overal waar hij optrad vroeg het publiek hem om Babi Jar te lezen.

Later werd Jevtoesjenko onder zware druk gezet om de tekst aan te passen aan de gewenste lijn. De regels: 'Hier liggen Russen en Oekraïeners, samen met joden in dezelfde grond' en 'Ik denk aan Ruslands heldendoden, die de weg naar het fascisme blokkeerden', zette hij erin. 

Het jaar daarop componeerde Dmitri Sjostakovitsj een stuk, de Dertiende Symfonie, waarin hij het gedicht van Jevtoesjenko op muziek zette. In de uitvoering werd de aangepaste tekst gebruikt, maar in het handschrift staat de oorspronkelijke versie. Sjostakovitsj vertelde aan zijn biograaf Solomon Volkov waarom het gedicht hem had geïnspireerd: ‘Ik was overgelukkig toen ik Jevtoesjenko’s Babi Jar las. Ik stond er versteld van, net als duizenden mensen. Veel mensen hadden van Babi Jar gehoord, maar pas door Jevtoesjenko’s gedicht drong het tot het bewustzijn door. Ze probeerden de herinnering aan Babi Jar te vernietigen, eerst de Duitsers, en toen de Oekraïense regering. Maar na Jevtoesjenko’s gedicht was het duidelijk dat het nooit vergeten zou worden. Dat is de kracht van kunst.’

Babi Jar

Er staat geen monument bij Babi Jar.
Er is alleen de steile afgrond, als een ruwe gedenksteen.
Ik ben bang.
Vandaag ben ik zo oud
Als het gehele Joodse ras zelf.

Ik zie mezelf als een oude Israëliet.
Ik zwerf over de wegen van het oude Egypte
En hier, aan het kruis, verdwijn ik, gemarteld
En zelfs nu draag ik de littekens van de nagels.

Het komt me voor dat ik zelf Dreyfus ben.
De Filistijnen hebben me verraden – en veroordelen nu.
Ik zit in een kooi. Omsingeld en in de val,
Ik word vervolgd, bespuugd, belasterd, en
De gracieuze sletjes in hun Brusselse kanten kragen krijsen,
Terwijl de paraplu’s in mijn gezicht steken.

Ik zie mezelf als een jongen in Belostik
Bloed vloeit, en stroomt over de vloeren,
De bazen van de bar en kroeg schreeuwen ongehinderd
En rieken naar wodka en uien, half om half.

Ik word teruggeworpen door een laars, ik heb geen kracht over.
Tevergeefs smeek ik het pogromgepeupel,
Tot spotternijen van ‘Dood aan de Joden, en red ons Rusland!’
Mijn moeder wordt geslagen door een klerk.

O, Rusland van mijn hart, ik weet dat je
Internationaal bent, van nature.
Maar vaak misbruiken zij, wier handen in vuil zijn gedrenkt,
Je zuiverste naam, in naam van haat.

Ik ken de goedheid van mijn geboorteland.
Hoe smerig is het, dat zonder de minste huivering,
De antisemieten zichzelf hebben uitgeroepen tot de ‘Unie van het Russische Volk!’

Het komt me voor dat ik Anne Frank ben,
Transparant, als de dunste tak in april,
En ik ben verliefd, en heb geen behoefte aan gezegdes.
Maar wil alleen dat we elkaar in de ogen kijken.
Hoe weinig kan iemand zien, of zelfs voelen!
Bladeren zijn verboden, net als de lucht,
Maar veel is nog steeds toegestaan – heel voorzichtig
In verduisterde kamers elkaar te omhelzen.

- ‘Ze komen eraan!’

- ‘Nee, wees niet bang – dit zijn geluiden
Van de lente zelf. Ze komt binnenkort,
Snel, je lippen!’

- ‘Ze breken de deur open!’

- ‘Nee, rivierijs breekt…’

Wilde grassen ruisen over Babi Jar,
De bomen zien er onbuigzaam uit, alsof ze een oordeel geven.
Hier, in stilte, schreeuwt alles, en, hoed in de hand,
Voel ik mijn haar grijs worden.

En ikzelf, als een lange geluidloze schreeuw,
Boven de duizenden en duizenden begravenen,
Ik ben iedere oude man die hier geëxecuteerd is,
Net zoals ik ieder kind ben dat hier vermoord is.

Geen vezel in mijn lichaam zal dit vergeten.
Moge de ‘Internationale’ donderen en weergalmen
Wanneer, voor altijd, de laatste antisemieten op deze aarde
Zijn begraven en vergeten.

Er is geen Joods bloed dat bloed van mij is,
Maar, gehaat met een bijtende hartstocht
Word ik door antisemieten als een Jood.
En dat is waarom ik mezelf een Rus noem!

Vertaling: Marko Fondse

Lees ook: Hoe herdacht Kiev na 75 jaar Babi Jar?