De geschiedschrijving in Rusland is onder druk van de staat zo geïdeologiseerd dat er sprake is van een ‘cultus van het verleden’, waarmee de burgers worden 'gemanipuleerd'. Volgens het Vrije Historische Genootschap en het Comité Burgerinitiatief moet het Kremlin zijn monopolie op de geschiedschrijving opgeven en dienen de Russische historici hun onderzoek te verbreden en te vermenselijken.

door Hubert Smeets

De geschiedschrijving in Rusland verkeert volgens onafhankelijke Russische historici in een ernstige crisis. De historische canon is de afgelopen jaren onder druk van de staat zo eenzijdig geworden en ook zo geïdeologiseerd, dat de academische standaard van de geschiedwetenschap in gevaar komt. Geschiedkundigen van het Vrije Historische Genootschap en het Comité Burgerinitiatief hebben daarom alarm geslagen over de teloorgang van de historische wetenschappen in Rusland. In een rapport dat de organisaties in de derde week van januari naar buiten hebben gebracht, waarschuwen ze dat ‘mythologie’ zo langzamerhand de ‘wetenschap’ heeft overgenomen.

De geschiedenis wordt misbruikt voor hedendaagse doelen. De canon moet namelijk bewijzen dat Rusland een ‘unieke’ natie is (‘Rusland is geen Europa’) en dat de geschiedenis van Rusland – naar een Duitse vakterm – dus een unieke ‘Sonderweg’ heeft gevolgd die zich met niets laat vergelijken. Deze ontwikkeling bedreigt de gewone burgermaatschappij, aldus het rapport, getiteld Welk verleden heeft het Rusland van de toekomst nodig.

Volgens het Vrije Historische Genootschap en het Comité Burgerinitiatief gaat de politisering van de geschiedenis zo ver dat meningsverschillen over het heden en de toekomst niet meer in politieke termen worden uitgevochten, maar eigenlijk alleen in de canon van het verleden. ‘De taal van de geschiedenis is de enige taal’ waarin nu nog politieke, sociale of filosofische ideeën kunnen worden verwoord. Deze ‘exploitatie van het verleden’ draagt niet meer bij aan ideeën over het heden en toekomstige ontwikkelingen. ‘Geschiedenis in Rusland is meer dan geschiedenis,’ aldus het rapport. ‘Het verleden van het land is het terrein geworden van een burgeroorlog en het einde van deze oorlog is vooralsnog niet in zicht.’

JezjovStalin
Geheim politiechef Jezjov weggeretoucheerd.

Keerpunt 2011

Volgens het rapport was het jaar 2011 het keerpunt. In de herfst van dat jaar besloot president Dmitri Medvedev om zich terug te trekken ten gunste van premier Vladimir Poetin, die in maart 2012 voor de derde maal tot staatshoofd werd gekozen. Voordien was er in Rusland nog een ‘beeld van de toekomst’. Na 2011 is dat perspectief omgeslagen in een ‘cultus van het verleden’, aldus de opstellers van het rapport.

Met het begrip ‘cultus’ verwijzen ze naar de persoonlijkheidsverheerlijking, die partijleider Nikita Chroesjtsjov in 1956 gebruikte om de cultus rond Jozef Stalin te kritiseren. Volgens de twee historische organisaties moet de ‘cultus van het verleden’ nu niet alleen de indruk wekken dat er een rechte lijn loopt door de ‘duizendjarige geschiedenis’ van Rusland, maar ook een eenduidige ‘overwinningscultus’ scheppen in het historische bewustzijn van de burgers. Daarin is alleen plaats voor ‘oorlogen, revoluties en persoonlijkheden’ en niet voor de alledaagse successen en mislukkingen van gewone mensen in een gewone maatschappij.

Er is sprake van ‘heiligverklaring van de macht en de staat’, schrijft Aleksandr Roebtsov, die samen met Girgori Joedin leiding gaf aan de werkgroep. Dominant is het principe dat de misdaden van staatslieden mogen worden gebagatelliseerd, omdat ze staatsmannen waren. ‘Het gaat niet meer over de geschiedenis, maar om de macht,’ concludeert Roebtsov, hoofd van het Centrum voor filosofisch onderzoek naar ideologische processen in Moskou. Joedin is programma-chef op de Moskouse Hogeschool voor Sociologie en Economie. Een van de bekendere co-auteurs van het rapport is de historicus/journalist Andrej Kolesnikov, ook werkzaam voor de denktank Carnegie Moskou.

Lange lijnen

Deze ‘sacralisering van de macht en de staat’ voltrekt zich volgens het rapport in bijna alle tijdvakken van de historische canon van Rusland. De recentelijk opgerichte standbeelden voor vorst Vladimir de Heilige en tsaar Ivan de Verschrikkelijke illustreren het verlangen naar episodes in het verleden, die niet ter discussie mogen staan. Een aantal historiografische lijnen zijn heilig:

• De kerstening van Kiev Roes in de tiende eeuw wordt gezien als dé oorsprong van de (huidige) Russische staat, ongeacht de etnische afkomst van de Russen.

• De christelijke orthodoxie is sinds 988 de basis van de Russische cultuur en spiritualiteit die, verbonden met de staat, steeds alle aanvallen van de vijanden van Rusland heeft weten af te slaan.

• Het Tataars-Mongoolse ‘juk’ van circa 1240 tot 1480 wordt beoordeeld als een breuk in het rechte pad op weg naar de staatsvorming van Rusland.

• De territoriale groei van het Russische Rijk vanaf de zeventiende eeuw laat zich louter in positieve termen beschrijven, of het nu ging om verdedigingsoorlogen of expansie.

• Alle maatregelen die leidden tot verdere centralisatie van de staat, zowel in het ambtelijk bestuur als in de krijgsmacht, waren progressief, omdat ze bedoeld waren om de staat te versterken.

• De pogingen om de autocratie te weerstaan, variërend van het streven naar lokaal bestuur tot de boerenopstanden en stedelijke revoltes, draaiden steeds uit op verzwakking van de staat en dus op ‘troebele tijden’ ten koste van heel Rusland.

• De vestiging van het Russische Imperium alsmede zijn territoriale uitbreiding naar de Baltische landen en Oost-Europa waren onvermijdelijk. Over details mag worden getwist, zoals over de betekenis van Ivan de Verschrikkelijke en Peter de Grote, over de hoofdkoers echter niet.

Moderne geschiedenis

Ook in de nieuwe en nieuwste geschiedenis zijn allerlei historische gebeurtenissen onderworpen aan een vorm van sacrale canonisering. In het rapport worden vooral thema’s genoemd die te maken hebben met het Stalinisme in de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de ondergang van de Sovjet-Unie. Ook deze historische hoogtepunten worden beoordeeld aan de hand van het criterium of de ontwikkelingen al dan niet ‘juist’ waren in het licht van de ‘nationale belangen’.

Het ‘primitieve anti-westerse’ prisma daarbij is dat Rusland geen Europa is. Ook maatschappelijke doorbraken, zoals de afschaffing van de lijfeigenschap, worden stelselmatig opgevat als veranderingen die top-down worden doorgevoerd en niet als resultaat van structurele ontwikkelingen aan de basis. Zelfs de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 wordt intussen primair geïnterpreteerd als het gevolg van een machtsstrijd aan de top. Politieke crises zijn kennelijk alleen begrijpelijk als er sprake is van een samenzwering. ‘Conspirologie’ is een norm aan het worden, aldus het rapport.

Alles draait in deze historiografische mal om de vraag of de staatsmacht erin slaagde de maatschappij te mobiliseren en te leiden naar de zege. De permanente rode draad is de historiografie van de oorlog, waarbij de gecentraliseerde ‘monarchie’ het machtscontinuüm in Rusland was. Het geschiedkundige beeld dat hieruit oprijst noemen de auteurs de ‘cultus van de overwinning’.

De helden in deze cultus zijn meestal ‘conservatieven’ of zelfs ‘reactionairen’. Hun verdienste is dat ze wisten te voorkomen dat Rusland ten prooi viel aan interne onenigheid of buitenlandse vijanden. Andere geschiedenissen en dissidente stemmen worden volgens de auteurs stelselmatig weggemoffeld, net als verliezers. Zelfs als het gaat om de stalinistische repressie neemt de aandacht voor de ‘beulen en hun slachtoffers’ af, zo concludeerde het Vrije Historische Genootschap al eerder.

Van cruciaal belang is de continuïteit in de Russische geschiedenis. Met de historische canon van het Kremlin wordt het beeld opgeroepen dat Rusland altijd een ‘grootse’ staat is geweest, die wordt gekenmerkt door overwinningen en niet door veranderingen. Men schetst een beeld van een land dat geen ‘serieuze interne conflicten heeft gekend, maar alleen conflicten met buitenlandse vijanden’, zei co-auteur Grigori Joedin.

Pokrovskiy MNCommunistische historicus Michail Pokrovski

Politieke geschiedenis uit de 19de eeuw

De neiging om het heden en de toekomst met het verleden te rechtvaardigen, is niet nieuw. Net als in veel Europese natiestaten is de moderne geschiedschrijving ook in Rusland ontstaan in de loop van de negentiende eeuw. Ze richtte zich in de negentiende eeuw primair op de nationale staatsvorming en had zodoende een politiek karakter. In Rusland is die benadering echter hardnekkiger geweest dan in Europa en Amerika. In het Westen heeft sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw ook sociaal-culturele en economische geschiedschrijving steeds meer aandacht gekregen. Door driekwart eeuw communisme is de Russische historische wetenschap blijven hangen in die politieke oriëntatie, zeker als het ging om de moderne en nieuwste geschiedenis.

Het adagium van de communistische historicus Michail Pokrovski (1868-1932) is lang de leidraad geweest. Pokrovski vatte de kern van de geschiedschrijving vier jaar voor zijn dood zo samen: ‘Geschiedenis is politiek, omgekiept naar het verleden’. Anders gezegd: historici moeten de hedendaagse politiek voorzien van argumenten uit de geschiedenis. Na zijn dood kreeg Pokrovski meer dan gelijk. Toen partijleider Jozef Stalin in de jaren dertig al zijn concurrenten had uitgeschakeld, werden bolsjewieken van het eerste uur met terugwerkende kracht uit de historische canon gewist. Zelfs foto’s werden zo geretoucheerd dat in ongenade geraakte ‘kameraden’ achter een plank verdwenen of van de kade vielen. Ten tijde van de glasnost onder partijleider Michail Gorbatsjov, die een opener kijk op het verleden toestond, deed niet voor niets de volgende grap de ronde. ‘De Sovjet-Unie is een land met een onvoorspelbaar verleden’. Eind jaren negentig van de twintigste eeuw verscheen daarover het boek The vanished commissar.

Aanbevelingen en eerherstel

Het Vrije Historische Genootschap en het Comité Burgerinitiatief doen een aantal aanbevelingen om een einde te maken aan de ‘manipulatie van het historisch bewustzijn van de mensen’. Het vak geschiedenis kan alleen in ere worden gesteld als er op een vijftal punten een andere weg wordt ingeslagen.

1. Het historisch onderzoek in Rusland moet worden verbreed. Nu beperkt de geschiedschrijving zich tot een enge thematiek. Centraal staan ‘de staat’ en zijn ‘overwinningen’ die zijn bereikt door ‘oorlogen’ en ‘strenge leiders’. Ook andere ‘herinneringen’ en ‘morele’ thema’s moeten echter weer tot het areaal van de geschiedschrijving worden gerekend.

2. De geschiedenis van Rusland moet eerst ‘gedemilitariseerd’ worden en vervolgens ook ‘vermenselijkt’. De geschiedenis van de ‘vrijheid’ kan dan weer de aandacht krijgen die ze verdient. De Russische samenleving is meer dan de staat en diens politiek.

3. De geschiedschrijving heeft een ‘derde golf destalinisatie’ nodig. Na de eerste twee golven – tijdens de dooi van Chroesjtsjov in de jaren vijftig en de perestrojka van Gorbatsjov in de jaren tachtig van de twintigste eeuw – moet het historisch bewustzijn wederom worden bevrijd van het idee dat het in de geschiedenis van Rusland alleen draait om ‘stevige leiders’ die de natie beschermen tegen ‘binnen- en buitenlandse vijanden’.

4. De geschiedenis leert ons wel degelijk lessen. Net als in de Verenigde Staten zou de president zich daarom moeten laten adviseren door een brede groep historici, die hem op grond van hun kennis van het verleden zouden kunnen behoeden voor het maken van vergelijkbare fouten.

5. De staat moet geen monopolie op het historische bewustzijn willen hebben. De overheid dient het principe ‘laissez-faire’ te eerbiedigen en af te zien van een eigen ‘geschiedenispolitiek’.

Jonge instellingen

Het Vrije Historische Genootschap is opgericht in 2014 om onafhankelijke geschiedwetenschap te bevorderen. Deze vereniging van onafhankelijke historici wil tegenwicht bieden aan het Russische Militair-Historische Genootschap, dat minister Vladimir Medinski van Cultuur meteen na zijn aantreden in 2012 heeft opgezet met het doel historische canon naar zijn hand te zetten. Medinski is zelf opgeleid als historicus, maar zijn wetenschappelijke arbeid is omstreden. De plagiaatjagers van de onderzoeksgroep Dissernet, die onderzoek doet naar de authenticiteit van proefschriften, hebben talrijke potsierlijke fouten en enormiteiten in de dissertatie van Medinski opgespoord en zelfs (tevergeefs) geprobeerd hem zijn doctorstitel te laten ontnemen. Het Comité Burgerinitiatief is in 2012 opgezet door ex-minister Aleksej Koedrin van Financiën, die kort daarvoor was afgetreden uit protest tegen het almaar stijgende defensiebudget dat volgens hem de overheidsfinanciën uit het lood zou gaan trekken.

Beide clubs kregen hulp van historici uit verschillende andere instellingen, zoals Memorial, Sacharov-centrum, Jeltsin-centrum en een instituut van wijlen premier Gajdar.

Het Vrije Historische Genootschap en het Comité Burgerinitiatief presenteerden Welk verleden heeft het Rusland van de toekomst nodig op maandag 23 januari op een seminar, waar het rapport werd toegelicht en bediscussieerd.