'The power of pictures' heet de tentoonstelling van fotografie en film uit de vroege periode van de Sovjet-Unie, die onlangs is geopend in het Joods Historisch Museum. Bij binnenkomst belooft de tentoonstelling inzicht te geven in het verband tussen kunst en politiek, tussen objectiviteit en manipulatie. Maar wie rondkijkt ziet dat de relatie tussen propaganda en realiteit juist wordt verhuld.

door Hella Rottenberg

Getoond worden foto's, affiches en films van fotografen en cineasten die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een nieuwe beeldtaal ontwikkelden. Na de Russische revolutie kregen ze de ruimte voor experimenten, maar zoals bekend, was het met de vrijheid van kunst en literatuur onder Stalin snel afgelopen. Eind jaren twintig werd het 'socialistisch realisme' als leidraad afgekondigd en met 'realisme' doelde men niet op de realiteit, maar het propagandaverhaal van het regime.

In de tentoonstelling in Amsterdam, die overgenomen is van het Jewish Museum in New York, wordt die ontwikkeling zichtbaar: eerst de avantgardistische montagetechnieken, dan de optimistische en eenduidige beelden van industriële en militaire opbouw, verheffing van de 'kleine volken' en heldhaftige arbeiders.


Arkadi Sjaichet arbeiderArkadi Sjaichet, arbeider

Maar van de politieke en historische context krijgt de bezoeker haast niets mee. Het materiaal wordt gepresenteerd als een bewonderend kunsthistorisch verhaal, met veel aandacht voor de biografieën van de fotografen en cineasten. Nieuw zijn niet de foto's, affiches en films, die al zo vaak geëxposeerd zijn, maar de nadruk op het feit dat de meeste van deze kunstenaars van joodse afkomst zijn. Dat zij prominente fotografen en cineasten werden heeft sociale redenen. Het jonge beroep van fotograaf en filmer gaf joden in de nadagen van het antisemitische tsaristische Rusland de kans om zich te emanciperen: met hun camera in de hand kregen ze toestemming om de sjtetl te verruilen voor Sint Petersburg en Moskou.

Prestigieuze opdrachten

Over de rol van deze kunstenaars na de revolutie leert de bezoeker dat zij geen loyaliteitsbanden hadden met het tsaristisch regime, daarom door de nieuwe machthebbers werden vertrouwd en prestigieuze opdrachten kregen. Hoe zij van avantgardisten propagandisten werden van een bewind, dat miljoenen burgers liet verhongeren, arresteerde, executeerde, in kampen opsloot, martelde, dwangarbeid liet verrichten en kapot liet gaan, daarover wordt discreet gezwegen. Afgaand op de tentoonstellingsteksten waren de jaren dertig in de Sovjet-Unie een periode met een dictator (het woord ben ik eenmaal tegengekomen), een 'cultus' (ook eenmaal) en propaganda (vaker), en ja, op één tekstbord staat de term zuiveringen. Welke gruwelijke werkelijkheid zich achter de facade van de propaganda verborg, wordt de bezoeker bespaard. Als het museum ervan uitgaat dat mensen dat ‘wel weten’, miskent het dat de gemiddelde bezoeker wel van de misdaden van het stalinisme heeft gehoord, maar nauwelijks een idee heeft van de geschiedenis en de omvang ervan.

Misleid door propaganda

Toevallig luisterde ik ’s nachts na mijn bezoek aan het museum naar het programma ‘Witness’ van de BBC. Flora Liebman vertelde hoe haar ouders, joden die uit Rusland naar Londen waren geëmigreerd, in 1933 terugkeerden naar de Sovjet-Unie. Ze hadden communistische sympathieën en waren verleid door de sovjet-propaganda, zoals die in geillustreerde tijdschriften gepresenteerd werd en vrijelijk in Londen te koop was. Met hun vier kinderen gingen ze wonen in Leningrad. Vader werd al snel opgepakt, moeder niet veel later, en toen de kinderen één voor één. Flora heeft haar vader, broer en zussen niet meer teruggezien. Zelf overleefde ze de kampen en vond haar moeder eind jaren veertig terug. De tijdschriften liggen op de tentoonstelling uitgestald, maar een getuigenis zoals die van Flora Liebman zoek je vergeefs.

Vaak wordt over dit soort tentoonstellingen gezegd dat een kunsthistorisch of esthetisch verhaal over propagandistische kunst interessant en legitiem is. Dat moge zo zijn, maar dan moet de werkelijkheid toch ergens te vinden zijn, zodat de bezoeker een beeld krijgt van de manipulatie, van de halve en de hele leugens. Door dat achterwege te laten, doet deze tentoonstelling juist niet wat ze zegt te doen: een kritisch inzicht geven in het verband tussen kunst en politiek.

Arkadi Sjaichet sneltreinArkadi Sjaichet, sneltrein

Deze aanpak komt, denk ik, door het uitgangspunt. De tentoonstelling 'joodse propagandisten van Stalin' zou een joods museum niet willen brengen. Maar het probleem is dat als je deze sovjet-kunstenaars al dan niet onder een joodse noemer wilt laten zien, je er niet omheen kunt dat ze meewerkten aan de propaganda van een moordenaarsbewind.

Een tentoonstelling hierover zou trouwens wel de moeite waard zijn. Waren de kunstenaars communist, bleven ze dat, maakten ze ander niet-officieel werk, wie deden er mee, wie niet, welke andere beelden zijn er uit die tijd opgedoken?

Bij nazi-kunst ondenkbaar

Het Joods Historisch Museum is niet de enige instelling die zich bezondigt aan het wegmoffelen van de politiek-historische context van Sovjet-kunst. In de Fundatie in Zwolle liep eerder dit jaar de expositie ROOD!, die leed aan hetzelfde euvel: de propaganda werd getoond als kunst, de gruwelijke historische achtergrond werd minimaal belicht.

Waarom is dit volstrekt ondenkbaar als het kunst uit nazi-Duitsland betreft en maakt niemand zich druk als het om het stalinisme gaat?

De vraag stellen is hem nog niet beantwoorden. Er zijn wel mogelijke redenen te bedenken. Veel mensen beschouwen het communisme als een ideaal van een voorhoede, in de praktijk weliswaar vreselijk mislukt of ontspoord, maar toch een ideaal, zelfs een ideaal met een waas van romantiek. Dat geldt met name in het Westen, waar niemand het communisme aan den lijve heeft ondervonden. Dat Stalin een massamoordenaar was lijdt voor niemand twijfel, maar de brave communisten die geloofden in de utopie, die waren toch niet fout, al zaten ze fout?

Stalins beulen in gevangenissen, kampen en achter de schrijftafel hebben, anders dan nazi’s, nooit voor de rechtbank hoeven te verschijnen om zich te verantwoorden voor hun daden. Hun werk stopte, ze kregen een pensioen en gingen op in de massa. Ze bleven onzichtbaar, gezichtsloos; misschien stellen we ons daarom slecht voor wie het totalitaire Sovjet-systeem stutte en vragen we ons dat nauwelijks af.

Communistische symbolen zijn souvenirs

Een derde factor is dat Hitler de verliezer was en het fascisme en nazi-symboliek werden verboden. Het communisme en zijn symbolen bleven na Stalins dood geconserveerd en werden naarmate het stalinisme verder van ons af stond, steeds zwakker met zijn bewind geassocieerd. De mode onder westerlingen om sovjet-speldjes, vlaggen, medailles, schilderijen en andere souvenirs te verzamelen, bewijst dat de symboliek als onschuldig wordt gevoeld.

In Duitsland heeft in de jaren tachtig de Historikerstreit gewoed. Het ging daarin in de eerste plaats over de Duitse zienswijze op de holocaust: moest het nazisme worden beoordeeld als een uniek misdadig systeem of was er een parallel met het stalinisme? Door dat debat heeft men in Duitsland dieper nagedacht over de verschillen en overeenkomsten tussen het nazisme en het stalinisme, dieper dan hier. De tentoonstellingen in het Joods Historisch Museum en de Fundatie duiden er op dat het bewustzijn in Nederland over het stalinisme tekortschiet. Zou het niet eens tijd zijn om daar iets aan te doen?