Voor zijn visie op Rusland put Vladimir Poetin onder meer uit het werk van Russische Eurazianisten als Troebetskoj en Goemiljov. Maar ook de extreem-rechtse filosoof Aleksandr Doegin past daar naadloos in. Van randfiguur schoof hij op naar gast in Russische talkshows. FT-correspondent Charles Clover schreef er een fascinerend boek over.

door Marc Jansen

Poetins nieuwe imperiale missie voor Rusland vond zijn aanvang een kleine eeuw geleden in een obscuur emigrantengezelschap. Vorst Nikolaj Troebetskoj, een eminente taalkundige van oude Russische adel, was na de nederlaag van de contrarevolutionaire Witten naar Sofia gevlucht. De ineenstorting van het Russische keizerrijk en de weinig welkome opvang in Europa voor ‘statenlozen’ zoals hijzelf frustreerden hem en een groep gelijkgezinden. Ze keerden zich van Europa af en stelden hun hoop op het ‘Euraziatische culturele conglomeraat’, dat vrijwel samenviel met hun verloren rijk.

De ‘Euraziërs’ beschouwden Rusland niet zozeer als deel van het rationele Westen maar als het product van de wilde Mongolen, zoals ook de gewelddadige Russische revolutie weer leek te bevestigen. Sommigen van hen lieten zich inpalmen door agenten van Stalins geheime dienst, die zich uitgaven voor hun geestverwanten, helemaal toen Stalin zelf ook Russische nationale symbolen ging gebruiken. Vorst Troebetskoj trok zich intussen gedesillusioneerd uit de politiek terug.

Maar dit was niet het einde van het op een combinatie van etniciteit en geografie gebaseerde ‘Eurazianisme’, schrijft Charles Clover, voormalige Moskouse correspondent van de Financial Times, in zijn fascinerende boek Black Wind, White Snow, dat is gebaseerd op een vracht aan literatuur en interviews. Het leefde voort in Stalins Goelag.

Goelag als laboratorium

Lev Goemiljov, zoon van twee van Ruslands grootste dichters Anna Achmatova en Nikolaj Goemiljov, belandde in de jaren dertig in de Goelag. Hij overleefde veertien jaar strafkamp. Die tijd was voor hem een ‘laboratorium’. Het doordrong hem ervan dat de mens geen meester is over de natuur en dat de geschiedenis wordt beheerst door het irrationele.

lev gumilev 5 tArrestantenfoto van Lev Goemiljov                                                                                

Na zijn vrijlating in de jaren vijftig schreef Goemiljov een reeks populaire boeken over de geschiedenis van de steppenvolken. In de geest van de Euraziërs rekende hij de Russen niet tot de Europeanen, ze hadden meer gemeen met de nomadenculturen die hij had bestudeerd. Met een flinke portie dichterlijke vrijheid ontwikkelde hij de ‘theorie van de etnogenese’ waarin hij ‘etnossen’ opvoerde als een soort organismen met hun eigen levenscycli. Rusland en de omringende steppe zag hij als een ‘superetnos’, een natuurlijk rijk. Een bepalende volkstrek noemde hij de passionarnost, ‘gepassioneerdheid’, een biologische impuls die individuen in staat stelt zich op te offeren voor het gemeenschappelijke goed. Hij plaatste het tegenover het individualisme en gebrek aan collectieve moed van de Europeanen. Ondanks zijn jarenlange opsluiting was Goemiljov ernstig teleurgesteld over het eind van de Sovjet-Unie, dat hij nog net meemaakte. Clover spreekt van het Stockholm-syndroom.

Goemiljov als postzegelGoemiljov op een postzegel van Kazachstan, waar zijn Eurazianisme populair is                                        

De Euraziatische opvattingen sloegen in Rusland aanvankelijk nauwelijks aan. Maar Clover noemt Black Wind, White Snow een case study die laat zien hoe een gedachte, in de Goelagarchipel op vodjes papier opgeschreven, op een goede dag door de hedendaagse erfgenamen van de toenmalige vervolgers kan worden verheven tot een nationaal idee.

Dissidente bohémien

Als schakel diende opnieuw een figuur die in Rusland weinig aanhang leek te hebben: de dissidente bohémien Alexander Doegin met zijn hang naar buitenissigheid. Zo choqueerde hij graag door te koketteren met Hitler – naar de grens tussen ironie en ernst moet je bij deze postmodernist maar raden. Trouwens, ook Stalin kan voor hem heel goed door de beugel. Evenmin is hij gekant tegen een eigen Russische variant van het fascisme, dat hij ziet als een combinatie van een natuurlijk conservatisme met een hartstochtelijk verlangen naar echte veranderingen.

In de jaren tachtig trok Doegins anti-sovjetpropaganda nog de aandacht van de Russische geheime dienst. Maar ook hij betreurde het ineenstorten van de Sovjet-Unie. In zijn boek De Grondslagen van de Geopolitiek uit 1997 betoogde hij, voortbordurend op de Euraziërs, dat het Oost-West-conflict ging tussen het ‘continentale Eurazië’ en de ‘Atlantische zeemacht’ van de Verenigde Staten en de NAVO.

Eurazië houdt voor hem in een ‘Groot-Rusland’ met inbegrip van Oekraïne, Wit-Rusland en andere Russische of Russischtalige gebieden van de voormalige Sovjetunie, dat een alliantie aangaat met het Midden-Oosten.  Dit gedachtegoed vulde hij aan met ideeën ontleend aan Europees Nieuw-Rechts. ‘Wij conservatieven willen een sterke, solide Staat, wij willen orde en een gezond familieleven, positieve waarden, en een sterkere rol van religie en de Kerk in de maatschappij.’

In Rusland sloegen dit soort ideeën allengs aan bij gefrustreerde, maar opnieuw aan macht winnende mensen uit het leger en de staatsveiligheidsdienst. Zij wilden Rusland zijn plaats op de wereldkaart teruggeven. Vladimir Poetin was een van hen.

DoeginRechts-nationalistische filosoof Aleksandr Doegin werd op Russisch tv man van aanzien                       

 Van een marginaal idee ontwikkelde het Eurazianisme zich de laatste jaren zo tot een min of meer officiële ideologie. ‘Euraziatische integratie is een kans voor de voormalige Sovjet-Unie om een onafhankelijk centrum van globale ontwikkeling te worden in plaats van de periferie van Europa of Azië,’ heeft Poetin gezegd. Hij zette een Euraziatische Unie van voormalige Sovjet-landen op, waar hij ook Oekraïne bij wilde hebben.

Nieuw-Rusland

Toen dat na Euromajdan misliep, annexeerde Poetin de Krim en begon hij met inzet van ‘gepassioneerde’ strijders uit Rusland een hybride oorlog in ‘Nieuw-Rusland’, zoals hij Zuidoost-Oekraïne in navolging van filosoof Doegin ging noemen (al vindt die laatste dat Poetin in Oekraïne niet ver genoeg is gegaan). Ook zijn anti-Westerse paranoia over de ‘vijfde colonne van landverraders’ en de nieuwe imperiale retoriek passen in dit beeld. Doegin ziet in regimegetrouwe liberalen zelfs een ‘zesde colonne’. Na de annexatie van de Krim ‘brak de grote ijsberg Rusland af van de Europese wereld en dreef weg in onbekende richting’, zoals de Russische schrijver Vladimir Sorokin het omschreef. Maar dit nieuwe Eurazianisme, schrijft Clover, is een ‘vervalsing die het origineel heeft verdrongen – niet omdat het een goede vervalsing is, maar omdat het zo onbeschaamd vals is dat het het echte ondermijnt’.

Vooral in zijn beschrijving van de periode vanaf de augustus-coup tegen Gorbatsjov in 1991 laat Clover zich wel makkelijk meeslepen door allerlei complottheorieën, die moeilijk bewijsbaar zijn. Zijn boek heeft onvermijdelijk ook wel iets geconstrueerds. Natuurlijk loopt er geen rechte lijn van Troebetskoj via Goemiljov en Doegin naar Poetin. Voor zulk gedachtengoed bestaan veel meer bronnen (sommige worden door Clover ook genoemd).

Hoe verhoudt het Eurazianisme zich tot Poetins andere theoretische uitgangspunt, zijn definitie van de Russische Wereld, als de gemeenschap van alle Russen ter wereld? Of tot het nationaal-bolsjewisme van de extreem-rechtse schrijver Edward Limonov, met wie Doegin ooit heeft samengewerkt: de verbintenis van de communistische ideologie met nationalisme en geopolitiek? Bijten die concepten elkaar, lopen ze in elkaar over? Daar gaat Clover niet op in. Maar dat maakt Black Wind, White Snow niet minder meeslepend, overtuigend en verontrustend.

Charles Clover, Black Wind, White Snow: The Rise of Russia’s New Nationalism. Yale University Press